Over een groen knollenland

Gebaseerd op waargebeurde feiten. Vanwege de privacy zijn de namen en sommige details veranderd.

In de abri bij de bushalte is het stil vanmorgen. De mist heeft de omgeving betoverd in een zeldzaam prikkelarm tafereel. In het bosje aan de overkant van de weg hoor ik een roodborstje zingen, daarachter is niets. Niet de huizen die er anders altijd staan, niet de geluiden die er altijd vandaan komen. De mist heerst, en de enkeling is op zichzelf aangewezen.
Links in de verte nadert over de weg een lampje. Het kan niet anders dan een fietser zijn. Het lampje komt dichterbij en wordt aangevuld door een silhouet. Pas als de fietser vlak bij de abri is, zie ik dat het een vrouw is met lang bruin haar en een groene jas. Ze fietst voorbij en verdwijnt weer, eerst de kleur, dan de vorm en al snel is weer alleen een lampje te zien.

Het lampje wordt in dampen gesmoord en nu is ook het roodborstje stil. Ik kijk naar het wattige grijs waar de fietser net vandaan kwam, maar er gebeurt niets. Ik blijf kijken. Niets. En niets. De mist houdt de gelederen gesloten. Ik probeer niet op mijn horloge te kijken, en bedenk dat als mist niet koud en kleurloos zou zijn, het van mij altijd zo zou mogen blijven. Zo stil en rustig, ver weg van alles wat altijd op je af vliegt. Maar daarna kijk ik toch op mijn horloge. En dan weer naar de grijze dampen. En dan eindelijk zie ik lichten de mist opzij duwen. Al snel neemt de bus vorm aan, daarna zie ik kleur en even later mensen achter de verlichte ramen en even ben ik verbaasd dat dit allemaal kan in de mistwereld, dat er toch nog mensen zijn en zoiets als een bus, maar er is geen tijd meer, het rustige geluid van de elektrische motor komt heel dichtbij, de bus stopt en ik moet instappen.

Terwijl de bus haltes uit de mist doet opdoemen en weer verdwijnen, kijk ik in mijn notitieboekje op mijn mobiel. Ik weet nog steeds niet wat ik moet zeggen. Ik heb genoteerd: houten gebouw, donkerbruin, groot.
Grappig. Het leek groot ja, toen. Als je vanuit de hal het lokaal in kwam, was het heel ver lopen voordat je bij de juffrouw was. Daar moest je naartoe als je naar de wc was geweest en de wc-rol moest teruggeven. Ik weet nog goed hoe ze naar me lachte terwijl ik de rol aanreikte. De herinnering is zo helder, dat ik er meteen een warm gevoel van in mijn buik krijg. Lachte ze altijd zo naar mij? Of was het die ene keer heel bijzonder, dat die daarom in mijn geheugen en mijn diepste wezen is gegrift?
In de hal waren de kapstokken en de wc’s. Er was één lokaal. Was er een schoolbord? Ik dacht van niet. Achterin rechts was een soort zandbak op tafelhoogte en een wasbak. Was het daar smaller? Ik was daar twee jaar lang elke dag geweest, maar toch weet ik het niet zeker, waarschijnlijk wel. Wat ik wel zeker weet, is dat je buiten een trap op moest naar de ingang. Onderin het gebouw was bergruimte, waar we soms karren en skelters uit mochten halen om mee te spelen op het schoolplein.

Later, toen ik al lang op de grote school zat, misschien wel twee hele jaren later, ben ik er nog eens binnen geweest. Ik was aan het spelen en zag dat de deur open stond. Er leek niemand te zijn. Ik liep de trap op, het brede balkon over waar ooit onze klassenfoto was gemaakt, en stapte mijn vertrouwde kleuterschool binnen. Maar het was helemaal niet zoals ik gedacht had. De kapstokken hingen zó laag en wat een mini wc-tjes! Ik was verbijsterd.

De bus maakt een scherpe bocht en ik zie dat we bijna bij het station zijn. Ik stop mijn mobiel weg en pak mijn OV-kaart.

In de trein doe ik mijn jas uit en zet mijn tas naast me neer. Ik wil dingen op een rijtje zetten, mijn gedachten ordenen en dat lukt het beste als ik ze opschrijf. Ik pak mijn mobiel er weer bij, maar het voorbijgaan van de in watten gehulde gebouwen van de stad leiden mijn aandacht af. Pas als we de rivier over zijn en tussen de mistige weilanden rijden, kan ik me weer concentreren.

Nee, het was niet alleen die ene keer. Ze lachte vaker naar mij, en het was een lieve lach. Ik had altijd het gevoel dat ze het fijn vond dat ik er was. En ik vond haar geweldig.

Wat deden we eigenlijk allemaal? Ik schrijf op: tekenen, verven, met blokken spelen, kleien, prikken… We zongen liedjes, als het mooi weer was speelden we buiten natuurlijk. Voor de kleuterschool was een klimrek en nog een paar speeltoestellen en daarnaast was een schoolplein. Dat hoorde eigenlijk bij een andere school, maar daar mochten wij soms ook op. De juffrouw wist wanneer. Dan verzon ze een spel, of deden we tikkertje of verstoppertje. Soms mochten kinderen aan de hand van de juffrouw over het plein lopen en als ik aan de beurt was, was ik in de zevende hemel.

Wat deden we nog meer voor spelletjes? Zakdoekje leggen? Of deden we dat alleen op verjaardagen? En kreeg ik weleens een sticker als ik een mooie tekening had gemaakt? Of waren stickers iets van de lagere school? Pfff… in mijn hoofd lijkt het net zo mistig als buiten. Ik ben veel details vergeten. Maar toch, sommige zijn nog wonderlijk helder. Zoals dat ik ontdekte dat de handen van de tweeling, die bij mij aan het tafeltje zat, er net zo uitzagen als de mijne. Alleen had ik een bruin vlekje op de rug van een hand en dat hadden zij niet. Wat ik ook nog weet is dat Jos aan zijn tafeltje met zijn hoofd op zijn armen in slaap was gevallen en de juffrouw zei dat we hem maar met rust moesten laten. De juffrouw had iets zachts en dat was zo fijn.
Ze was zacht en lief en toch had ze gezag. Heel soms werd ze weleens boos, maar nooit verloor ze de controle. Als we te veel lawaai maakten en het lukte haar niet om ons rustiger te maken, deden we weleens 1-2-3; mondje-op-slot. We moesten gaan zitten, het samen met de juffrouw hardop zeggen en bij het tellen moesten we onze armen over elkaar doen. Bij mondje-op-slot maakten we met een wijsvinger een draaiend gebaar bij onze mond en daarna was het altijd doodstil. Ik vond het heel erg als de juffrouw boos was. Maar gelukkig gebeurde dat bijna nooit.

De juffrouw lachte vaak en dan kon je zien dat ze een gouden vulling in haar kies had. De juffrouw was lief. Alles wat ze deed en zei vertelde ik thuis enthousiast aan mijn moeder. En mijn moeder vertelde dat onze school Het Vogelnest heette, omdat de juffrouw met haar achternaam Vogel heette.
‘Niet waar, zei ik, ze heet Joosse! Juffrouw Joosse is het hoor!’
Maar mijn moeder legde uit dat dat was omdat ze getrouwd was met meneer Joosse. Daarom zeiden de kinderen juffrouw Joosse. Maar toen de school nieuw was, heette ze Vogel.

Ik kijk naar buiten. De mist wil nog niet optrekken. De trein rijdt langs een weg en ik zie de verlichte blauwe borden die erboven hangen. Ze zijn omfloerst door vochtige sluiers, maar de kleur valt op in het verder grijze landschap. Alleen dichtbij zie je kleur, het groen van het gras, de herfstkleuren van de bomen, maar alles door een waas. Verder weg is alles grijs en vaag, er zijn geen duidelijke omtrekken. Hoe verder weg, hoe erger dat wordt. Een bomenrij verdwijnt in de mist. Een veld lost op in de mist. Dichtbij nog groen, even verder grijs.

Net als met herinneringen… Ik ben zoveel vergeten. Dingen die ooit een vanzelfsprekend onderdeel van mijn leven waren, zoals namen van klasgenoten, welke liedjes we zongen…

…Hoewel ik me één liedje kan herinneren, omdat ik me er geen raad mee wist. Vrolijk zongen we met ons allen over een groen knollenland, daar zaten twee haasjes heel parmant… Ze hadden het zo fijn samen, het was zó heerlijk, tot er een jager kwam en er een doodschoot. De ander bleef intens verdrietig achter.
Ik moest huilen. Dat wilde ik natuurlijk niet, niemand huilde, dus ik spande mij tot het uiterste in om mijn tranen binnen te houden, zodat het zeer deed aan mijn keel. Ik begreep niet waarom iedereen dit lied zo vrolijk kon zingen en ik niet.

Ik herinner me de dag dat ik ziek was geweest en voor het eerst weer even naar buiten mocht. Het was een winterse middag en ik had mijn dikke witte jas aan. Ik mocht even in de tuin, maar ik besloot, toen mijn moeder even niet keek, om naar school te lopen. Daarvoor moest ik de weg oversteken voor ons huis en dat mocht ik eigenlijk niet alleen. Maar ik vond dat ik dat best kon. Daarna een paadje tussen de huizen door en dan was je er; een straat die rondliep met rijtjeshuizen eromheen en in het midden was de school. Vanuit de klas keek je op die straat, waar ook altijd het kleine blauwe autootje van juffrouw Joosse stond geparkeerd, en op het huis van mijn vriendinnetje Loes, die daar op de hoek woonde.
Ik liep de klas binnen toen het net tijd was om naar huis te gaan en de kinderen allemaal achter hun tafeltje gingen staan. Dat was een gewoonte, de juffrouw zei dan vast iets, maar ik weet niet meer wat. Ik mocht even meedoen van de juffrouw. Maar daarna zag ze mijn moeder buiten aan komen lopen en zei dat ik maar naar haar toe moest gaan, want ze zou wel een beetje ongerust zijn.

Dat zachte van juffrouw Joosse, ik zal het nooit vergeten. Mijn moeder vertelde later dat zij erg geliefd was door alle kinderen en ouders. ‘Jouw juffrouw was heel bijzonder’, zei ze.

Buiten in de mist gaat een kleurloze boerderij voorbij. Even kleurloos als die ene zwart-wit foto die ik nog heb van de kleuterklas, op en voor het klimrek. Maar die foto wordt verlevendigd door de uitbundigheid van alle kinderen en de warme lach van de juffrouw, die er ontspannen bij staat, genietend van haar kleuters.
Nog even en de trein buigt af richting Zeeland, naar Walcheren, waar het allemaal gebeurde.

De zomer kwam eraan, ik zat nu bijna twee jaar bij juffrouw Joosse in de klas. Nog een tijdje zou ik naar de kleuterschool gaan, dan kwam de vakantie en daarna ging ik naar de grote school, waar mijn broer ook al op zat. Het gewone scenario, zo leek het.
Maar op een dag vertelde mijn moeder mij dat juffrouw Joosse niet op school zou zijn. Ze zei iets wat ik niet begreep.

Juffrouw Joosse was dood.

Ik had er geen beeld bij. Ik wist niet wat dood was. Ik kon er niks mee en mijn ouders wilden het mij niet uitleggen. Er was inderdaad een andere juffrouw op school en iedereen deed alsof alles heel gewoon was.

Een paar dagen later hoorde ik mijn ouders in de woonkamer met elkaar praten over de begrafenis van de juffrouw. Ik vroeg of wij ook naar de begrafenis gingen. Mijn moeder zei dat een begrafenis niet voor kinderen was. Ik wilde nog meer weten, maar mijn moeder ging bijna huilen en ik wist dat ik niet verder moest vragen.

We hadden gewoon school, maar de juffrouw was er niet. We prikten en zongen en speelden buiten op het plein, maar zonder de juffrouw. Op een dag, toen we bezig waren met kleuren, vertelde mijn vriendinnetje Loes dat ze de dag ervoor met haar ouders naar de begrafenis was geweest.

‘Een begrafenis is niet voor kinderen!’ zei ik.

‘Wel! Een begrafenis is wél voor kinderen!’ zei Loes.

Ik begreep het niet. Ik begreep er helemaal niets meer van.

Ik miste de juffrouw en wilde zó graag dat ze er weer was. Daarom vroeg ik een keer aan mijn moeder in de weken daarna: ‘Wanneer komt de juffrouw nou weer terug?’
En mijn moeder zei: ‘Die komt niet meer terug, die is dood!’ En ze begon weer bijna te huilen, waardoor ik niet meer verder vroeg, maar ik snapte nog steeds niet wat dood was. En er werd nog steeds niets uitgelegd.

De grote vakantie kwam en daarna ging ik naar de grote school, mijn leven ging ogenschijnlijk gewoon verder. Het was leuk op school, we hadden een andere lieve leuke juf. Sommige kinderen waren meeverhuisd naar mijn nieuwe klas: de tweeling, Loes, Jos… Maar we praatten nooit over juffrouw Joosse.
Maar ergens diep vanbinnen was bij mij een duistere kloof ontstaan, een onopgelost raadsel, een diep verdriet, een eenzaamheid. Het zat niet aan de oppervlakte en ik had er niet direct last van, maar het was er. Het lag te wachten op opheldering en bevrijding.

Een paar jaar later vroeg ik thuis nog eens naar mijn kleuterjuf en mijn moeder vertelde dat juffrouw Joosse een auto-ongeluk had gehad en tegen een boom was gereden. Ik dacht aan het blauwe autootje dat altijd in de straat geparkeerd stond en stelde mij voor hoe dat gedeukt tegen een dikke knoestige boom ston

In de loop der tijd kwam er af en toe weer een puzzelstukje bij in het verhaal. Het was nacht. Ze was naar een feestje geweest en was in het donker op een polderweg tegen een boom gereden. Het was heel naar, zei mijn moeder; ze was bekneld geraakt en doodgebloed.
Weer later vertelde mijn moeder dat er verhalen waren geweest dat ze ruzie had gehad met haar man, dat ze gedronken had en daarom tegen een boom was gereden. Weer later had ze ook nog gehoord dat de juffrouw zwanger was. Maar ze zei er wel steeds bij dat ze niet wist of die verhalen waar waren.

Het was nog steeds iets van buitenaf. Het was gebeurd en het enige wat ik kon doen was machteloos toekijken. Alles gebeurde buiten mij om. Misschien dat ik daarom ook later nooit op het idee ben gekomen dat ik ook iets kon doen. Iets om licht te laten schijnen in die duistere kloof, er weer leven in te brengen. Zo gingen er meer dan vijftig jaar voorbij. Vijftig jaar, waarin ik gewoon leefde en maar heel af en toe aan de juffrouw dacht, die lieve juffrouw, die zo jammerlijk uit mijn kleuterparadijs was weggeglipt.

Tot mij op een dag een belangrijk stuk van de puzzel werd geopenbaard. Ik was aan het wandelen met mijn broer, toen hij mij vertelde dat hij op de oude begraafplaats was geweest in onze geboortestad en dat hij daar het graf van juffrouw Joosse had gezien. Ik had er nooit aan gedacht dat dat er misschien nog was. Plotseling kwam er beweging in de kloof. Ik wist meteen: daar moet ik naartoe. Ik ga afscheid nemen.

Ik wil iets tegen haar zeggen, maar ik weet niet wat. Wat ik voel, het is te veel en te groot.
Een kinderwereld gebroken.

Die laatste zin schrijf ik op en ik stop daarna mijn mobieltje weg. De trein nadert mijn bestemming; zoals overal is de stad van mijn jeugd uitgebreid en de vertrouwde beelden worden aangevuld met nieuwe wegen en gebouwen, waar ik maar niet aan kan wennen.
Maar de zon begint eindelijk door te komen.

Ik loop de oude binnenstad in en koop in een winkel een bakje met bloeiende en besdragende herfstplantjes. Ik neem er een kaartje bij waarop staat: voor een heel speciaal iemand. Ik pak een pen en schrijf erin: Lieve juffrouw…

Mijn hand begint te trillen. Golven vol liefde, warmte, verdriet en pijn komen naar boven, ze dringen zich op om naar buiten te komen. Ik bijt op mijn lip en schrijf verder.
…bedankt voor alles en tot ziens!
Ik probeer niet te huilen, want dat wil ik echt niet, midden in een winkel. Met vochtige ogen en een dikke keel loop ik naar buiten.

Het is niet moeilijk om de kleine begraafplaats te vinden. Langs een van de oude uitvalswegen van de stad wijzen hoge herfstbomen en een sierlijk gietijzeren hek de weg. Ik ga naar binnen en ben al meteen bij de graven tussen het groen, waar het ruikt naar vochtige aarde. Ik hoef maar heel even te zoeken, en ik zie haar naam, al had ik haar voornaam nog nooit gehoord. Marry Joosse – Vogel staat er. En ach! Ze is maar 25 jaar geworden. Ik zet het plantje neer en laat mijn tranen de vrije loop. Warme golven van liefde en pijn laat ik stromen.

Er gebeurt iets wonderlijks. Het is net, alsof ze er is. Alsof ze op me gewacht heeft. Ze is weer bij me is en ze lacht naar me. Haar warme lach, ze laat me weer zien dat ze het fijn vindt dat ik er ben. En ik, na meer dan vijftig jaar ben ik ineens weer het kleutertje dat blij is met de juffrouw. Er komen nog meer golven van warm verdriet en ik ben blij dat de begraafplaats een stille plek is. Gefilterd licht van de gouden herfstzon valt op het graf en op het gras met de afgevallen blaadjes rondom.
Dus hier was ze gebleven! Al die tijd was ze zoek, maar ze was hier!
Ik vraag me af of de andere kleuters in de loop der jaren al geweest zijn.
‘Daar kom ik dan als laatste ook nog eens een keer’, zeg ik lachend door mijn tranen heen tegen de juffrouw. ‘Na meer dan vijftig jaar!’
Maar tijd maakt niets uit. Toen en nu, het is versmolten.

Thuis bij mijn moeder zet ik thee. We halen herinneringen op aan de juffrouw en na enige aarzeling vertel ik wat Loes had gezegd, dat zij wel naar de begrafenis was geweest.
Mijn moeder staat langzaam op. ‘We kregen een brief van het schoolbestuur…’ begint ze. Ze schuifelt naar de kast en opent hem. ‘Ik heb hem bewaard, ik denk in deze doos…’ Ze begint te bukken, haar hand zoekt steun aan de kastdeur.

‘Laat mij dat maar doen, mamma’, zeg ik.

Terwijl ik de naar oud karton ruikende doos doorspit, vertelt mijn moeder al wat er in de brief stond.

‘We kregen het advies om er niet met de kinderen over te praten. De kinderen zouden het niet begrijpen en zouden het vanzelf wel vergeten. Ze zouden er geen last van hebben.’
Ik hou even mijn adem in. Ongelofelijk.
Ik denk aan het advies om baby’s een nachtje door te laten huilen, en hoe mijn moeder dat advies gelukkig nooit opgevolgd had.
Maar dit advies dus wel… De ouders van Loes waren blijkbaar meer op hun gevoel afgegaan.

‘Het was die tijd…’ mijn moeder neemt mijmerend een slokje van haar thee. ‘Op de dag van de begrafenis was er ook gewoon school.’

De brief zit er inderdaad in, ik vind hem tussen gekartelde zwart-witfoto’s. Het is een stencil met typmachine-letters, en roept het beeld op van een tijd waarin een bestuur uit louter mannen bestond, in pak en rokend. Ik lees de brief door en zie dat het klopt wat mijn moeder vertelde over het advies, en ook de mededeling dat er school is op de dag van de begrafenis.
Het voelt vreemd; alles werd meteen dichtgemetseld.

Als mijn thee op is, ga ik even wat in de tuin doen. De zon is al bijna onder en ik hark de bladeren van het gras. Een roodborstje komt kijken of er wat te halen valt, het kopje scheef. Ik bewonder de fiere rode borst en het mooie kraaloogje. Kleine dappere eenlingen zijn het, die zomer en winter hun eigen territorium moeten verdedigen en zichzelf moeten redden.
Ik maak een hoop van de blaadjes en begin ze dan in de groene kliko te gooien.

Mijn moeder had weleens verteld wat ze vroeger thuis te horen kreeg als ze het moeilijk had: ‘Niet huilen, niet over praten. Sterk zijn, het gaat vanzelf over.’
Het was die tijd…

Na het eten, de gordijnen dicht, drinken we nog even koffie voor ik weer wegga. Ik pak mijn mobiel en bekijk de foto die ik van het graf gemaakt heb. Op de steen staat de datum van het ongeluk en ik bedenk dat er misschien indertijd iets over in de krant heeft gestaan. Misschien ontdek ik meer over hoe het gebeurd is. Ik open het internet en al in een paar tellen ben ik in het archief, ik vind de krant van de dag na het ongeluk. Na even bladeren door buitenlands en binnenlands nieuws van lang geleden, zie ik ineens de naam van de juffrouw in twee overlijdensadvertenties. Ik lees ze snel door, terwijl mijn moeder afwachtend haar koekje in haar koffie doopt.
Beide rouwadvertenties spreken van een noodlottig ongeval. Die van de familie is het meest aangrijpend. Die spreekt van ‘grote verslagenheid’ wat ik mij levendig voor kan stellen.

‘Wat moet het een mokerslag geweest zijn’, zeg ik. ‘Ze was nog jong, ze had nog ouders, was nog maar pas getrouwd, ze was een schoonzus en een tante. En dan zomaar ineens uit het leven weggerukt.’

De andere is van het schoolbestuur, dat kennis geeft ‘met diep leedwezen’. De advertentie eindigt met: ‘Haar toewijding en trouw, bezieling en vakbekwaamheid zullen lang in onze herinnering blijven.’ En als ondergetekende niet alleen het schoolbestuur maar ook de ouders van de kleuterschool. Gelukkig mooie woorden over de juffrouw, daar ben ik blij mee. Maar ik voel ook verontwaardiging.
De kinderen staan er niet eens bij.

Wat dachten die mannen, vraag ik mij af. Wat kinderen niet onder woorden kunnen brengen, dat voelen ze ook niet? Waren ze dan zelf geen kind geweest?

Bij het afscheid geven mijn moeder en ik elkaar een uitgebreide knuffel en we zeggen dat we van elkaar houden. Je weet nooit wanneer het de laatste keer is.

In de trein kijk ik uit het raam naar de voorbijgaande lichtjes van auto’s, straatlantaarns en gebouwen. Buiten de stad wordt het donkerder en verschijnt mijn eigen gezicht in het raam.
Ik pak mijn mobiel er nog eens bij met het krantenarchief en kijk weer naar de rouwadvertenties. Ze was schoonzus en tante… Er staat niet bij dat ze een zus was, was ze ook nog enig kind? Hadden die ouders hun enig kind verloren?

De trein rijdt door het stille nachtlandschap, raast langs een tingelende overweg, zo snel dat het geluid vervormt, en snelt dan weer ritmisch verder de nacht in. Af en toe zijn er lichtjes te zien van een dorp of een weg, op de meeste plekken is het echt donker.

Zo donker was het tijdens het ongeluk…
Wat was er nou eigenlijk precies gebeurd? Ik blader verder op zoek naar iets over die fatale nacht. Het verhaal was dat ze in de nacht met haar autootje tegen een boom was gereden, daarna hadden er blijkbaar allerlei verklaringen rondgezoemd onder de ouders; ze zou tijdens een feestje hebben gedronken en zelfs ruzie met haar man hebben gehad, ze zou zwanger zijn geweest… was er iets van waar? Of waren het verhalen die bij gebrek aan duidelijkheid waren ontstaan? Waren er ouders bij met een levendige fantasie, die genoten van de aandacht die dat opleverde? Misschien waren er goedgelovige toehoorders die het weer als waarheid verder vertelden.
Het is de krant van de dag na het ongeluk, als er iets in heeft gestaan moet het in deze geweest zijn, denk ik, en sla weer om en dan zie ik ineens rechts onderaan een klein artikel:


Jonge vrouw overleden na ongeluk op de Grindweg
Omstreeks kwart over twaalf in de nacht van dinsdag op woensdag is de 25-jarige mevrouw M. Joosse-Vogel uit Middelburg om het leven gekomen bij een auto-ongeluk op de Grindweg tussen Westkapelle en Zoutelande.
Het ongeluk gebeurde toen de auto van mevrouw Joosse, die in de richting van Zoutelande reed, uit de bocht vloog en op de kop naast de rijbaan terecht kwam. Mogelijk speelden de laaghangende mistbanken, die slecht zicht veroorzaakten, mede een rol.
Mevrouw Joosse werd zwaargewond per ambulance overgebracht naar het Middelburgse Gasthuis, waar zij korte tijd later overleed.

‘Er was mist!’ zeg ik hardop. Ik denk aan vanochtend, hoe de bus voorzichtig manoeuvreerde door de stad.
‘Het kwam door de mist!’
Het waren toch roddels. En er was geen boom, ze was uit de bocht gevlogen, die ze natuurlijk niet gezien had door de mist. Misschien had ze niet eens een riem om, die waren toen nog niet verplicht.
Ik voel me opgelucht en verklaar de juffrouw voor onschuldig.
Ik kijk mijn coupé rond, ervan bewust dat ik hardop heb zitten praten, maar iedereen is met zijn eigen dingen bezig.

Ik lees de woorden van het artikel nog een keer om het allemaal goed in mij op te nemen. En dan zie ik het woordje mede.
Mogelijk speelden de laaghangende mistbanken, die slecht zicht veroorzaakten, mede een rol.
Hoezo mede, was er nog meer, waren er aanwijzingen? Had ze toch gedronken en wisten ze dat? Zetten ze het er niet bij uit piëteit met het slachtoffer, omdat ze overleden was? Dat gebeurde in die tijd wel vaker; iemand die overleden was, hoefde niet ook nog eens een slechte naam bezorgd te worden. Dat was dan tenminste iets goeds uit die tijd.
Ik kijk uit het raam en zie lichtjes waar ik het Veerse Meer vermoed. Ik heb een onprettig gevoel vanbinnen door het idee van de juffrouw, die met alcohol op achter het stuur gaat zitten…
Àls ze gedronken had, want het kan ook iets anders geweest zijn. Of ze kan ook één glaasje op gehad hebben… Of niet gedronken, maar onwel geworden door de zwangerschap… Of niets van dat alles, maar ze was gewoon te moe…
Ik wil weten wat er precies gebeurd is en ik vraag me af hoe ik aan meer informatie kan komen. Maar het zal niet makkelijk zijn. Er is vast een politierapport geweest, maar als dat er nog is, mag ik het waarschijnlijk niet inzien.
Ik kijk uit het raam, naar het donker met in de verte nu nog maar enkele lichtjes.

Is het wel nodig? Wat heb ik er eigenlijk mee te maken? En wat wil ik ermee bereiken? Juffrouw Joosse had een leven buiten de kleuterschool en ze zal niet volmaakt geweest zijn, dat is nu wel logisch.
Maar hoe het ongeluk ook gebeurd is, voor mij was ze volmaakt, voor mij was ze de kleuterjuf, mijn lieve kleuterjuf en die heb ik verloren.

De juffrouw lachte vaak. Ik denk dat ze haar werk leuk vond. Ze hield van de kleuters. Ze hield van mij, en ik hield van haar.
















2 gedachtes over “Over een groen knollenland

  1. Wat een prachtig, krachtig en ontroerend verhaal. Tranen in m’n ogen toen ze bij het graf van haar lieve juf stond.

    Ik kijk uit naar meer verhalen van jou Anna!

    Like

Geef een reactie op Monique Sluitman Reactie annuleren